Attention networks in bilingual children who do and do not stutter

Claus Fien, Vanden Berghe Delphine, 2025
Bijna 1 op de 5 Belgen groeit op in een meertalig gezin. Hoewel tweetaligheid steeds vaker voorkomt, roept dit nog veel vragen op binnen de logopedie en diagnostiek, zeker op vlak van stotteren. Er zijn oudere bronnen die beweren dat tweetaligheid een risicofactor vormt voor stotteren, maar anderen spreken dit tegen. Wat wél duidelijk is, is dat tweetalige kinderen, zelfs als ze niet stotteren, meer onvloeiendheden in hun spraak vertonen dan eentalige kinderen. Hoewel ook factoren zoals ouderlijke bezorgdheid, negatieve spreekervaringen en fysieke spanning meespelen in een juiste diagnose, kan dit hoge aantal onvloeiendheden tot verwarring leiden, omdat ze soms boven de drempelwaarde uitkomen die normaal alleen bij stotteren wordt gezien. In onze studie onderzochten we de spraakkenmerken van tweetalige kinderen die stotteren en die niet stotteren, telkens in hun dominante én minder gebruikte taal. Onze hoofdvraag was echter of onderliggende cognitieve processen, meer specifiek de netwerken in je hersenen die voor verschillende vormen van aandacht instaan, mee een rol spelen in hoe vloeiend iemand spreekt. Bij eentalige kinderen die stotteren is eerder al aangetoond dat ze vaker lagere scores halen dan eentaligen die niet stotteren op vlak van executieve functies, zoals aandacht, planning en inhibitie. Tweetalige kinderen die niet stotteren scoren daarentegen gemiddeld net béter op diezelfde domeinen dan eentaligen die niet stotteren. Maar hoe zit het dan met tweetalige kinderen die stotteren? Tijdens de eerste sessie werden er Nederlandse spraakfragmenten opgenomen via een gesprek met open vragen en een naverteltaak, alsook vulden de ouders van het kind een vragenlijst over taaldominantie in. De kinderen legden een taal- en cognitietest af om te controleren of beide groepen gelijkwaardig waren. Tijdens de tweede sessie werden spraakstalen in de andere taal verzameld via gelijkaardige taken en voltooiden kinderen een aandachtstest. Kinderen die stotterden, vulden ook nog een vragenlijst in over hun ervaringen met stotteren. In deze kleinschalige studie (6 kinderen per groep) vonden we geen significante verschillen in aandachtsprestaties tussen beide groepen, wel zagen we een trend dat kinderen die stotteren gemiddeld iets lager scoorden. Ook vonden we geen verband tussen onvloeiendheden en hun aandachtsprestaties. We zagen wel dat kinderen die stotteren, die beter scoorden op aandachtscontrole, minder normale onvloeiendheden (zoals “uh” of zelfcorrecties) gebruikten. We zagen ook dat beide groepen meer onvloeiendheden vertoonden in hun minst gebruikte taal. Bij niet-stotterende kinderen bleef dit meestal onder de klinische grens, al overschreden sommige individuen die grens toch. Dit toont aan dat een correcte diagnose bij tweetalige kinderen extra voorzichtigheid vereist. Wanneer men enkel naar het percentage onvloeiendheden kijkt, zonder rekening te houden met de tweetalige context, verhoogt het risico op een verkeerde diagnose.

Promotor Kurt Eggers
Opleiding Logopedische en Audiologische Wetenschappen
Domein Logopedie
Kernwoorden kinderen Stotteren Aandachtsnetwerken Tweetaligheid Onvloeiendheden