Predictieve waarde voor gehoorpreservatie bij gebruik van intraoperatieve monitoring via electrocochleografie tijdens de plaatsing van een cochleair implantaat.
Wauman Mira, 2025
Een cochleair implantaat is een hulpmiddel dat het functioneel gehoor herstelt bij zowel volwassenen als kinderen met een ernstige tot diepe binnenoorslechthorendheid, waarbij traditionele hoortoestellen niet voldoende zijn. Door betere implantaten en verbeterde operatieve technieken zijn we actueel bij heel wat patiënten in staat om het nog aanwezig gehoor te sparen waardoor ook mensen met nog belangrijk restgehoor in aanmerking komen voor een cochleair implantaat (CI). Het sparen van het restgehoor helpt bijvoorbeeld om spraak beter te verstaan bij achtergrondlawaai, om geluiden te lokaliseren en draagt bij aan een betere muziekervaring.
Elektrocochleografie is een meting die wordt gebruikt als monitoringstechniek tijdens de operatie om de chirurg feedback te geven over mogelijke beschadiging van het slakkenhuis tijdens het opschuiven van de elektrode. Hierbij wordt er specifiek gekeken naar de grootte van de cochleaire microfoonpotentiaal (CM), een elektrisch signaal dat wordt gegenereerd door de buitenste haarcellen in het slakkenhuis. Als de CM plots daalt, dan kan dat een teken zijn voor beschadiging van de haarcellen en bijgevolg een verlies van het restgehoor.
In dit onderzoek werd gekeken in hoeverre de resultaten van intraoperatieve monitoring aan de hand van elektrocochlegrafie tijdens de plaatsing van de elektrode in het slakkenhuis in relatie staat met de verandering van het restgehoor na de operatie. Daarnaast ging dit onderzoek ook na of factoren zoals het gehoor voor de operatie, de leeftijd op het moment van de implantatie, het type elektrode en de oorzaak van het gehoorverlies een invloed hebben op de resultaten van elektrocochleografie tijdens de operatie en het gehoorbehoud na de operatie.
Hoewel de resultaten statistisch niet significant waren, werd er wel een trend waargenomen. Personen bij wie de meting tijdens het opschuiven van de elektrode in het slakkenhuis stabiel bleef, of zich na een daling herstelde, leken na de ingreep hun gehoor beter te behouden. Personen met een blijvende daling van het signaal, leken vaak meer gehoorschade te hebben opgelopen door de ingreep. Dit zou verklaard kunnen worden door het feit dat een tijdelijke daling van het signaal zou wijzen op een korte verstoring, waarbij de structuur van het slakkenhuis zich terug herstelt wanneer de elektrode verder wordt opgeschoven. Een permanente daling daarentegen kan dan wijzen op permanente schade aan het slakkenhuis, met verlies van het restgehoor als gevolg. Daarnaast werd vastgesteld dat zowel het gehoor voor de operatie, de leeftijd op het moment van de cochleaire implantatie, het type elektrode als de oorzaak van het gehoorverlies geen invloed hebben op de intraoperatieve resultaten van elektrocochleografie of de mate van gehoorbehoud na de ingreep.
Ondanks dat het onderzoek laat zien dat het nuttig kan zijn om tijdens de operatie ECochG-monitoring te doen met oog op het behoud van het gehoor na cochleaire implantatie, vormt de kleine steekproefgrootte over het algemeen een belangrijke beperking van dit onderzoek.
| Promotor | Ingeborg Dhooge |
| Opleiding | Logopedische en Audiologische Wetenschappen |
| Domein | Audiologie |
| Kernwoorden | Cochleair implantaat Intraoperatieve monitoring Elektrocochleografie Gehoorbehoud |